Leidraad overheidsopdrachten

14. Duurzaamheid

De Vlaamse overheid,  waaronder  ook  het  beleidsdomein  Mobiliteit  en Openbare Werken heeft zich geëngageerd om meer duurzame en innovatieve overheidsopdrachten te plaatsen. Door duurzaam en innovatief aan te kopen kunnen er  interessante  oplossingen  worden  gevonden en wordt de markt in beweging gezet om duurzame en innovatieve oplossingen te ontwikkelen. Overheden dienen hierin het goede voorbeeld te geven en een voortrekkersrol te spelen.

In deze epiloog raken we een aantal mogelijkheden aan die de regelgeving voorziet om groen en innovatief aan te kopen. De thema’s ‘duurzaamheid’ en ‘innovatie’ worden als aparte en afzonderlijke hoofdstukken behandeld, maar dit neemt uiteraard niet weg dat het ene het andere niet uitsluit. Integendeel, bij het plaatsen van overheidsopdrachten kan zowel rekening worden gehouden met duurzaamheidsaspecten als met het bereiken van innovatieve oplossingen. Bovendien kan het nastreven van innovatie ertoe leiden dat ook duurzaamheid wordt bereikt, en vice versa.

14.1. Duurzaamheidsaspecten in overheidsopdrachten

.

14.1.1. Inleiding

Alvorens in te gaan op de juridische mogelijkheden moet vooreerst worden bekeken wat de Vlaamse overheid, en dus ook de entiteiten van het beleidsdomein MOW onder ‘duurzaam’ dienen te begrijpen. Binnen het gemeenschappelijk aankoopbeleid van de Vlaamse overheid worden duurzame overheidsopdrachten gedefinieerd als “de benadering waarbij publieke overheden milieu­, sociale­ en economische criteria integreren in alle fases van hun aankoopproces van leveringen, werken en diensten, en dus de verspreiding van milieubesparende technologieën, sociale innovatie en de ontwikkeling van milieu-­, socio-­ en ethisch verantwoorde producten en diensten bevorderen, door het zoeken naar oplossingen die de minste impact op het milieu hebben gedurende hun volledige levenscyclus en sociaal en ethisch verantwoord zijn.”

14.1.2. Types duurzaamheid

Op basis van deze definitie valt het aspect ‘duurzaamheid’ uiteen in twee verschillende types. Enerzijds houdt duurzaamheid in dat het moet gaan om milieuverantwoorde oplossingen, maar anderzijds dat zij ook sociaal en ethisch verantwoord zijn.

14.1.2.1. Milieuduurzaamheid

Naar het eerste type van duurzaamheid wordt vaak  verwezen  als  ‘groen aankopen’ of ‘Green Public Procurement’ of ‘Sustainable Public Procurement’. Hieronder valt kort gezegd de impact van het produceren, verwerven of uitvoeren, het gebruik, het onderhouden en verwerken na einde gebruik van een bouw­ of infrastructuurwerk, een product of een dienst op milieu en klimaat. Belangrijk hierbij is dus dat volgens de definitie de volledige levenscycluskost van een werk, product of dienst en de impact op het milieu in aanmerking wordt genomen.

Begrippen als levenscycluskosten, total cost of ownership, circulaire economie,  externe  milieukosten  of  ­impact  kaderen   binnen   dit   type duurzaamheid. In wat hierna volgt zal bij de benadering van duurzaamheid vooral deze aspecten worden belicht. Dit omdat aan ‘groene overheidsopdrachten’ een steeds gewichtiger belang wordt gehecht, maar uiteraard steevast met respect voor sociale­- en ethische overwegingen.

14.1.2.2. Sociaal-ethische duurzaamheid

Duurzaamheid kan ook betrekking hebben op de impact op de mens. Hierbij kan o.a. gedacht worden aan het voorbehouden van opdrachten aan de sociale economie en maatwerkbedrijven, het naleven en doen naleven van fundamentele arbeids­- en sociale rechten, het bewerkstelligen van sociale insluiting en het creëren van gelijke kansen zonder discriminatie. Naar sociaal en ethische duurzaamheid wordt ook wel gerefereerd als Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO). De scope van deze bijdrage in de leidraad zal zich echter beperken tot het vergroenen van een overheidsopdracht.

14.1.3. Het vergroenen van een overheidsopdracht

In dit hoofdstuk zal worden besproken hoe een overheidsopdracht kan worden vergroend door groene  duurzaamheidsaspecten  te  integreren  in het bestek. We denken hierbij concreet aan de behoefteomschrijving en de marktverkenning, de keuze van de plaatsingsprocedure, de uitsluitingsgronden, de kwalitatieve selectiecriteria, de gunningscriteria, de technische eisen en uitvoeringsvoorwaarden. In wat volgt wordt een praktische toepassing gemaakt van wat volgens de regelgeving zoal mogelijk is in het licht van de groene duurzaamheidsdoelstellingen die door de Vlaamse overheid worden beoogd.

14.1.3.1. Behoefteomschrijving en marktverkenning

In de voorbereidingsfase waarin de aanbestedende overheid vooreerst nadenkt over wat zij precies nodig heeft, kan zij uiteraard reeds rekening houden met milieuoverwegingen. Ten eerste kan de vraag worden gesteld of er überhaupt nood is aan het uitschrijven van een nieuwe opdracht. De aanbestedende overheid dient voor zichzelf kritisch de vraag te stellen of het immers wel nodig is om een opdracht te plaatsen. Evengoed kan de behoefte op een andere manier ingevuld worden, dit is de zogenaamde ‘nuloptie’. Uiteraard is deze nuloptie in de praktijk moeilijk voor de uitvoering van de kerntaak van het beleidsdomein. Echter in het kader van de achterliggende administratie (de backoffice) en logistieke ondersteuning kan het nuttig zijn om eerder na te denken om bestaande en reeds aanwezige middelen te herschikken dan om nieuwe producten zoals bv. printers en papier aan te schaffen. Duurzaam handelen begint al voor het uitschrijven van een opdracht.

Wanneer er een opdracht moet worden uitgeschreven, kan bij de behoefteomschrijving eveneens nagedacht worden over welke oplossingen de meest duurzame zijn en hoe de markt ertoe kan worden bewogen  om een duurzame oplossing voor te stellen. Door de milieu­-impact mee in overweging te nemen in de fase van de behoefteomschrijving kan de aanbestedende overheid bij de opmaak van het bestek rekening houden met de verschillende mogelijkheden die er op de markt zijn en het bestek richten naar de meest duurzame opties.

De markt kan hierin zeker ook een nuttige en interessante rol spelen. Het staat de aanbestedende overheid immers vrij om tijdens de marktverkenning ook na te gaan bij de marktspelers hoe duurzaamheid kan worden bereikt en te polsen naar eventuele duurzame(re) alternatieven. Uiteraard moet er zoals steeds behoedzaam worden omgesprongen met informatie die wordt uitgewisseld en moet de aangeleverde informatie met een kritische blik worden bekeken.

In het kader van duurzaamheid moet immers een evenwicht worden gevonden in de duurzaamheidsdoelstellingen die een aanbestedende overheid nastreeft en het waarborgen van een voldoende mededinging. Het is geen evidentie om hier strikte regels over te bepalen, maar het uitgangspunt dient hierbij te zijn dat de mededinging niet kunstmatig mag worden beperkt door al te hoge duurzaamheidscriteria op te leggen met de bedoeling één of enkele producenten te bevoordelen.

Bij de behoefteomschrijving en de marktconsultatie en bij het nadenken over welke oplossing op termijn de meest duurzame is, kan ook worden onderzocht welke oplossingen het langste kunnen worden gebruikt en tegen welke kost. Dit noemt men een levenscycluskostenonderzoek.   De levenscycluskosten (LCK) vormen namelijk een reëler beeld van wat de uiteindelijke aankoop, zij het een werk, levering of dienst aan de aanbestedende overheid kost dan louter en alleen de aankoopprijs te bekijken. De aankoopprijs is namelijk alleen de kost voor het verwerven ervan, maar ook het gebruik, onderhoud en de sloop of verwerking bij einde levensduur dient mee in rekening te worden gebracht om het totale kostenplaatje te weten te komen.

Bij het zoeken naar de juiste oplossing is het beter zich te richten naar de oplossing met een langere levensduur en lagere levenscycluskosten. Een hogere verwervingskost zal op langere termijn dan gecompenseerd kunnen worden. In de huidige wetgeving is het thans mogelijk om deze levenscycluskosten op te nemen als gunningscriterium (zie verder) maar ook bij de behoefteomschrijving  en het opmaken van het bestek  is het nuttig om deze totale kosten mee in rekening te brengen en zich op die manier te richten naar duurzamere oplossingen. Bij de ene productcategorie gaat dat natuurlijk al wat makkelijker dan de andere. Het is relatief eenvoudig om de LCK van moderne leds te vergelijken met oude halogeenlampen. Bij werkenopdrachten is dat al wat minder evident, maar niet onmogelijk (zie verder).

14.1.3.2. Keuze van de plaatsingsprocedure

In de voorbereidingsfase dient er voldoende aandacht te worden besteed aan het bepalen van de meest geschikte plaatsingsprocedure. Afhankelijk van een aantal factoren dient er een keuze te worden gemaakt uit de toegelaten procedures. Één van die factoren kan ook duurzaamheid betreffen, al is het voor iedere procedure in zekere mate mogelijk om duurzaamheidsaspecten op te nemen. De procedure hoeft dus zeker niet in de weg te staan van het uitschrijven van een duurzame overheidsopdracht.

Bij opdrachten met beperkte waarde, of de zgn. aanvaarde factuur, heeft de aanbestedende overheid de mogelijkheid om zelf marktonderzoek   te verrichten en op die manier voor de duurzaamste oplossing te kiezen en deze rechtstreeks te bestellen bij de leverancier, mits er voldoende alternatieven van andere leveranciers werden bekeken en beoordeeld.

De onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking heeft eveneens als voordeel dat de aanbestedende overheid enkel ondernemingen kan uitnodigen een offerte in te dienen die over duurzamere oplossingen beschikken. Nadien kunnen deze geraadpleegde ondernemingen nogmaals in competitie treden door in het bestek bv. een gunningscriterium rond duurzaamheid op te nemen. Deze plaatsingsprocedure heeft bijkomend als voordeel dat de mogelijkheid er is om na de opening van de offertes nog te onderhandelen over de concrete inhoud ervan. Onderhandelingen kunnen leiden tot het verbeteren van  de  kwaliteit  van  de  offertes,  met name over het duurzaamheidsniveau, binnen de grenzen van de algemene basisbeginselen, de regelgeving en het bestek. Gedurende de onderhandelingen kan bijvoorbeeld aan de inschrijvers gevraagd worden duurzamere producten of bouwmaterialen op te nemen of in een duurzame uitvoeringswijze te voorzien.

Dit voordeel van onderhandelingen geldt ook voor de mededingings­procedure met onderhandeling (MPMO) en de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking (VOMB), alsook in de bijzondere procedures die gericht zijn op ontwikkeling en innovatie, het innovatiepartnerschap en de concurrentiegerichte dialoog. In het tweede deel van deze epiloog wordt ingegaan op deze twee laatste plaatsingsprocedures.

Tot slot kan ook bij de algemene plaatsingsprocedures, de openbare en de niet-­openbare procedure, voor duurzaamheid worden gekozen maar kan hierbij enkel rekening worden gehouden bij het bepalen van de selectie­- en gunningscriteria en de technische vereisten.

Ongeacht de keuze van de procedure  is het steeds een mogelijkheid  om in groene of duurzame gunningscriteria te voorzien. Ook voor een procedure waarbij enkel op basis van prijs wordt gegund (de klassieke aanbesteding) kunnen in de technische eisen en uitvoeringsvoorwaarden bepaalde minima rond duurzaamheid worden opgelegd. Het bestek zou ook kunnen bepalen dat het prijscriterium niet enkel de aankoopprijs beoordeelt, maar de totale levenscycluskosten (LCK) en zelfs met externe milieueffecten rekening houdt. Het is eveneens mogelijk dat ook andere gunningscriteria worden opgenomen die het duurzame karakter van de offerte beoordelen. Een combinatie van deze mogelijkheden is uiteraard mogelijk waarbij levenscycluskosten als prijscriterium worden gehanteerd, er nog andere duurzame gunningscriteria worden bepaald en er eveneens in de technische minimumeisen rond duurzaamheid wordt voorzien. In de volgende hoofdstukken worden deze opties een na een besproken.

14.1.3.3. Toegangsrecht

De overheidsopdrachtenwetgeving van 2016 geeft bijzondere aandacht aan de naleving door opdrachtnemers en onderaannemers van het milieu­, sociaal­ en arbeidsrecht. De aanbestedende overheid moet er in elke fase op toezien dat deze regels worden nageleefd en moet maatregelen nemen bij de vaststelling van inbreuken.

In de selectie vertaalt deze verplichting zich naar een controle door de aanbestedende overheid dat een inschrijver de toepasselijke verplichtingen inzake milieu­-, sociaal-­ of arbeidsrecht niet geschonden heeft. De aanbestedende overheid kan dit ‘met elk passend middel’ aantonen, wat in de praktijk vaak wordt gecontroleerd op basis van de uittreksels uit het strafregister.

Belangrijk hierbij op te merken is dat een vastgestelde schending van milieu-­, sociaal-­ of arbeidsrecht een facultatieve uitsluitingsgrond is. Dat wil zeggen dat de aanbestedende overheid in theorie nog een zekere beoordelingsmarge heeft. Als echter de focus van de opdracht ligt op een duurzame uitvoering zou het uiteraard niet te verantwoorden zijn dat er in zee wordt gegaan met een onderneming met een bedenkelijke reputatie. Maar ook in het geval een inschrijver in deze uitsluitingssituatie verkeert mag hij op eigen initiatief corrigerende maatregelen aanvoeren om zijn betrouwbaarheid aan te tonen. Bovendien kan een onderneming slechts uitgesloten worden binnen een periode van drie jaar vanaf de datum van de betrokken gebeurtenis of vanaf beëindiging van de inbreuk.

Een manier om duurzaam aan te besteden die uit de regelgeving zelf voortvloeit bestaat er dus in om een onderneming die in het verleden (d.i. maximaal drie jaar) een milieudelict heeft gepleegd niet voor selectie in aanmerking te nemen. Op vlak van uitsluitingsgronden ligt de lat om respectvol met het milieu om te gaan dus behoorlijk laag, maar inzake de kwalitatieve selectie voorziet de wetgeving in enkele pistes om ervoor te zorgen dat inschrijvers en uiteindelijk de gekozen opdrachtnemer in staat moet zijn om de opdracht op duurzame wijze uit te voeren.

14.1.3.4. Kwalitatieve selectie

Op vlak van kwalitatieve selectiecriteria is men beperkt tot de mogelijke criteria en bewijsmiddelen die in de regelgeving voorzien zijn. De voornaamste mogelijkheden rond het integreren van duurzaamheid in de selectiecriteria situeren zich in de criteria rond technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid. Milieutechnische bekwaamheden die vereist zijn voor een duurzame uitvoering van de opdracht kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het beperken van de afvalproductie, het voorkomen van lekken van verontreinigende stoffen, het verminderen van het brandstofverbruik en uitstootgassen of het minimaliseren van de verstoring van de leefomgeving.

Let op: selectiecriteria moeten steeds een voldoend verband hebben en in verhouding staan met het voorwerp van de opdracht. Als er groene selectiecriteria worden gehanteerd, moeten het voorwerp van de opdracht en de technische eisen dus eveneens aandacht besteden aan duurzame aspecten. Selectiecriteria moeten worden afgestemd op de specifieke eisen van het contract, met inbegrip van de waarde ervan en de mogelijke milieurisico’s.

Vooreerst kan er in het bestek om referenties worden verzocht van soortgelijke opdrachten van eenzelfde duurzaamheidsniveau. Op die manier komen alleen ondernemingen in aanmerking die over aantoonbare ervaring beschikken met het duurzaam uitvoeren van opdrachten met vergelijkbare milieueisen. Voor werkenopdrachten kan in dat kader eveneens worden verzocht naar attesten van goede uitvoering als bewijsstuk.

Ook de onderwijs­ en beroepskwalificaties alsook de ervaringen van het personeel kunnen van belang zijn voor duurzame overheidsopdrachten.

Voorbeeld: als selectiecriterium bij het plaatsen van wegvervoerdiensten wordt geëist dat de ingezette chauffeurs een cursus milieuvriendelijk rijgedrag hebben gevolgd teneinde het brandstofverbruik en de uitstoot te verminderen. 

Er kunnen daarnaast ook eisen gesteld worden omtrent milieumanagement­ of milieubeheersystemen. Milieubeheersystemen zijn auditsystemen die de bedoeling hebben te verduidelijken op welke manier een onderneming systematische inspanningen levert om zijn milieuprestaties te verbete­ren. Hierbij stellen ondernemingen dus milieudoelstellingen gericht op verbetering van hun milieuprestaties. Het milieubeheersysteem dat op ondernemingsniveau werd ingevoerd kan worden gecertificeerd door het communautair milieubeheer­ en milieuauditsysteem (EMAS) of door de Eu­ropese/internationale norm voor milieumanagementsystemen EN/ISO 14001.

Hoewel de grotere marktspelers vaak over dergelijke certificering beschik­ken, blijft het aantal gecertificeerde ondernemingen, vooral bij kmo’s,  beperkt. Opdat een voldoende mededinging mogelijk blijft, is een voorberei­dende marktconsultatie dus aangewezen. Bovendien moeten gelijkwaardige certificaten worden aanvaard en net als bij keurmerken en testverslagen moeten ook andere vormen van bewijs (zoals een in eigen huis ontwikkeld systeem) die een gelijkwaardig niveau garanderen in aanmerking worden genomen wanneer de ondernemer geen toegang heeft tot certificering door een derde partij of binnen de gestelde termijnen geen certificering kan verkrijgen om redenen die hem niet aangerekend kunnen worden.

De beperking van een dergelijk selectiecriterium is dat alleen het milieubeheersysteem op niveau van de onderneming wordt gecontroleerd. Het systeem biedt geen garantie dat de uitvoering van de concrete opdracht even duurzaam zal verlopen. Het proportionaliteitsbeginsel vereist tenslotte ook hier dat de eisen voor de toe te passen milieubeheermaatregelen passend moeten zijn met de waarde en de milieu impact van de opdracht.

Er zou tot slot voor wat betreft de selectiecriteria om een lijst van werktuigen, het materieel en de technische uitrusting kunnen worden gevraagd die voldoen aan vastgestelde minimumeisen inzake duurzaamheid.

Voorbeeld: als selectiecriterium bij het plaatsen van een opdracht voor wegeniswerken wordt vereist dat er een lijst van voertuigen, zoals vrachtwagens voor aan- en afvoer, wordt overlegd waaruit blijkt dat de inzetbare voertuigen minstens voldoen aan de voorwaarden van Euronorm 5.

14.1.3.5. Gunningscriteria

Naast de technische uitvoeringsvoorwaarden die hierna worden besproken, zijn gunningscriteria bij uitstek de geschikte manier om milieuoverwegingen te laten meespelen bij het aanduiden van de opdrachtnemer. Door het gebruik van duurzame gunningscriteria kan een aanbestedende overheid een duurzamere offerte betere scores toekennen bij de gunning van de opdracht. De wetgeving laat uitdrukkelijk het beoordelen van de economisch meest voordelige offerte op basis van prijs en sociale­ en milieuaspecten toe, maar ze moeten steeds verband houden met het voorwerp van de opdracht. Europese rechtspraak ziet hier nauwgezet op toe. Zij moeten ook steeds voldoen aan de algemene voorwaarden: ze mogen geen onbeperkte keuzevrijheid geven en moeten dus verifieerbaar zijn, ze moeten een daadwerkelijke mededinging mogelijk maken, moeten samen met hun subcriteria en desgevallend hun weging van tevoren worden bekendgemaakt en moeten zoals gezegd verband houden met het voorwerp van de opdracht.

Tip: gunningscriteria zijn vaker beter geschikt dan (alleen) het opnemen van selectiecriteria of minimale technische specificaties. Zij laten immers een graduele beoordeling toe. Het niet voldoen aan een selectiecriterium leidt automatisch tot de niet-selectie, het niet voldoen aan een minimale technische specificatie leidt in principe tot de onregelmatigheid van de offerte.

Het is echter niet toegestaan om een aspect die in de selectie-­eisen werd gevraagd nogmaals te beoordelen in de gunningscriteria. Als er selectiecriteria worden gesteld rond de beroepskwalificaties van het personeel, of omtrent de duurzaamheid van de werktuigen mag dit niet opnieuw worden beoordeeld in de gunningscriteria.

De link leggen tussen een gunningscriterium en een minimale technische vereiste in het bestek is daarentegen wel mogelijk. Zo kan men ervoor opteren om in de technische specificaties een minimumeis voorop te stellen waarvan zeker is dat een groot deel van de markt eraan kan voldoen en vervolgens via de gunningscriteria de inschrijvers te belonen die deze minimumeis in hun offerte overtreffen.

Voorbeeld: rond de gemiddelde CO2-uitstoot of de energiezuinigheid van een voertuig of vaartuig kan een minimumeis worden gesteld, in combinatie met een gunningscriterium die de CO2-uitstoot vergelijkt en beoordeelt.

14.1.3.5.2. Praktijkvoorbeelden van duurzame gunningscriteria

Voor de beoordeling van de verschillende offertes aan de hand van de duurzame gunningscriteria kan men gebruik maken van een aantal verschillende methodes. Zonder alomvattend te willen zijn, halen we hier enkele voorbeelden vanuit de praktijk aan:

14.1.3.5.2.1. Levenscycluskosten (LCK)

De wetgeving bepaalt uitdrukkelijk dat gunningscriteria geacht worden verband te houden met het voorwerp van de opdracht wanneer zij betrekking hebben op te verrichten werken, leveringen of diensten, in alle opzichten en in elk stadium van hun levenscyclus. De wetgeving voorziet aldus specifiek in de mogelijkheid om de levenscycluskosten op te nemen als prijs­ en kostencriterium en specifieert waarmee er rekening kan worden gehouden: de verwervingskosten (de aankoop­ en leveringskosten), de gebruikskosten zoals energieverbruik, onderhoudskosten en eindecyclus­kosten zoals inzamelings-­ en recyclingkosten. Externe milieukosten, zgn. externaliteiten, kunnen ook mee in rekening worden gebracht mits (1) ze verband houden met het product, de dienst of het werk gedurende de levenscyclus, (2) de geldwaarde kan worden bepaald en gecontroleerd, en (3)de gehanteerde berekeningsmethode aan een aantal kwaliteitseisen voldoet.

Hoewel de prijs in aankoop mogelijks duurder kan zijn, is het grote voordeel dat op langere termijn de totale kost van het product lager zal uitvallen. Het in aanmerking nemen van de levenscycluskosten kan leiden tot het gebruik van hoogwaardigere materialen die kostenefficiënt en duurzaam zijn. Door de gebruikskosten in aanmerking te nemen kan de energiefactuur bovendien lager uitvallen.

Zoals hierboven reeds gesteld is het bepalen van de LCK en zeker de externe milieukosten geen eenvoudige opgave. Sommige producten lenen zich hier gemakkelijker toe dan andere, we denken aan voertuigen zoals bussen waar het gebruik van LCK al vrij courant is. In de werkensector  is deze methodologie in theorie ook perfect toepasbaar, maar we stellen vast dat de praktijkervaringen met het gebruik van LCK als gunningscriterium in Vlaanderen eerder beperkt is. Nochtans vindt men in het buitenland voorbeelden terug  van  de  levenscycluskostenbenadering in infrastructuurwerken voor bijvoorbeeld fundering, asfaltwegen, geluidschermen, kunstwerken en voegen.

14.1.3.5.2.2. MKI-waarde en DuboCalc

Externaliteiten kunnen mee in rekening worden gebracht bij de beoordeling van de economisch meest voordelige offerte. In Nederland worden de externe milieukosten als schaduwkost reeds enkele jaren meegenomen bij de voorbereiding en de gunning van infrastructuurprojecten door gebruik van de zogenaamde MKI­-waarde of ‘milieukostenindicatorwaarde’. Er werd een databank ontwikkeld die per materiaal de milieueffecten vanaf de winning tot en met de sloop bevat. Om de milieueffecten te objectiveren en met elkaar te kunnen vergelijken worden deze milieueffecten uitgedrukt in euro en stemmen zij overeen met de ‘kostprijs’ die geacht wordt nodig te zijn om het nadelige effect op het milieu te herstellen.

De aanbestedende overheid en inschrijvers kunnen via de ‘DuboCalc’­-toepassing de MKI­-waarde voor een bouwwerk berekenen door de benodigde materialen in deze tool in te geven. De tool berekent dan de totale MKI-­waarde. In eerste instantie legt de aanbestedende overheid een maximale MKI-­drempelwaarde op waar de inschrijvers in hun offerte onder dienen te blijven. De inschrijvers kunnen bij de voorbereiding en opmaak van hun offerte hun concreet ontwerp inladen in de tool om zo de MKI­-waarde te kennen.

In Nederland koppelt men de MKI-­waardes van het voorstel in de offerte aan een fictieve korting op de inschrijfprijs die meegenomen wordt in de gunning (zie ook hierna). Het betreft hier echter geen 1 op 1 verhouding tussen de MKI en de fictieve korting. In functie van een MKI­-boven-­ en ondergrens wordt de fictieve kortingswaarde per inschrijver lineair bepaald. Door de grenzen van deze vork in toekomstige aanbestedingen aan te passen kan men de lat voor de inschrijvers steeds hoger leggen.

14.1.3.5.2.3. CO2-prestatieladder

De CO2­-prestatieladder is een certificeringschema dat het stimuleren van CO2­-reducties in de bouwsector beoogt. De ladder bestaat uit vijf niveaus en afhankelijk van de inspanning die een onderneming doet om haar CO2­-uitstoot te beperken kan een onderneming van een geaccrediteerd en onafhankelijk organisme een certificaat krijgen voor een van deze niveaus. De ambitie is om zoveel mogelijk ondernemingen één zo hoog mogelijk niveau te doen behalen.

In overheidsopdrachten wordt de certificatie aan de hand van de CO2­-prestatieladder gestimuleerd door een gunningsvoordeel te geven aan inschrijvers die een niveau hebben behaald op de ladder. Dit voordeel bestaat uit het toekennen van een fictieve korting: inschrijvers die een certificaat hebben behaald worden beloond doordat voor de beoordeling van hun offerte rekening wordt gehouden met een gecorrigeerd offertebedrag. Afhankelijk van welke trede zij hebben bereikt, kunnen inschrijvers een fictieve korting, uitgedrukt in een percentage, verkrijgen op hun inschrijvingsprijs.

Het systeem werd in 2009 voor het eerst in Nederland geïntroduceerd. Tegenwoordig wordt de CO2-­prestatieladder erg vaak gebruikt in gunningprocedures van Rijkswaterstaat en een heel aantal andere grote Nederlandse aanbesteders. Daardoor hebben veel Nederlandse onder­ nemingen een certificaat behaald en ziet men een tendens dat steeds meer van die ondernemingen de hoogste trap van de ladder bereiken. In België is recent ook het initiatief genomen om de CO2-­prestatieladder naar het Nederlandse voorbeeld veralgemeend toe te passen.

14.1.3.5.2.4. Andere toepassingen van fictieve kortingen wegens duurzaamheidsinspanningen

Naast de MKI­-systematiek en de CO2­-prestatieladder zijn nog vele andere toepassingen denkbaar waarbij inschrijvers door middel van fictieve kortingen beloond worden voor de inspanningen die zij doen om duurzamer te werk te gaan. Een voorbeeld dat in de praktijk door AWV frequent wordt toegepast, is het toekennen van een fictieve korting voor het gebruik van asfalt geproduceerd onder verlaagde temperatuur.

Het systeem werkt gelijkaardig aan de CO2­-prestatieladder. Als een inschrijver in zijn offerte aantoont dat het asfalt dat hij zal gebruiken  voor de uitvoering van de werken geproduceerd wordt onder verlaagde temperatuur verkrijgt hij een fictieve korting van vijf euro per ton op de inschrijfprijs voor de posten in de meetstaat die op het asfalt betrekking hebben. In tegenstelling tot de CO2-­prestatieladder gaat het hier dus om een vlakke korting als aan de voorwaarden voor verlaagde temperatuur is voldaan, en geldt de korting enkel voor een deel van de inschrijvingsprijs.

14.1.3.5.2.5. Duurzaamheidsscore

Tot slot kan er nog melding gemaakt worden van een recent proefproject van AWV in het kader van het Europese Green Public Procurementprogramma voor het structureel onderhoud en heraanleg van een asfaltweg. De methodiek bestaat eruit dat de economisch meest voordelige offerte wordt bepaald op basis van de gewogen som van het aantal punten op de prijs enerzijds en op de duurzaamheidsscore anderzijds.

De inschrijvers dienen bij hun inschrijving een rekenblad te voegen dat door hen moet worden ingevuld. De duurzaamheidsscore wordt berekend aan de hand van het door de inschrijvers ingevulde rekenblad. Het rekenblad peilt naar een aantal indicatoren met betrekking tot de bijdrage aan klimaatverandering, de uitputting van natuurlijke grondstoffen en  het verkeerslawaai. Zo wordt gepeild naar de wijze van het transport en de herkomst van de grondstoffen van het asfalt, het energieverbruik en de herkomst van de energie (hernieuwbare bronnen) om het asfalt te produceren. In functie van het relatieve verschil in de opgegeven objectieve parameters ten opzichte van de gemiddelden over alle inschrijvers heen, wordt een duurzaamheidsscore aan deze indicatoren toegekend. De afzonderlijke scores worden uiteindelijk gewogen en opgeteld tot een totale duurzaamheidsscore. Deze totale duurzaamheidsscores worden opnieuw onderling met elkaar vergeleken (zoals de scores op een prijscriterium) om tot een puntentoekenning te komen. Deze punten worden bij de punten van het prijscriterium opgeteld.

14.1.3.5.3. Besluit

Er kunnen verschillende methodes worden uitgedacht om duurzaamheidsaspecten mee te nemen in de inhoudelijke beoordeling van de offertes. Het koppelen van een fictieve korting aan een objectieve en verifieerbare duurzaamheidsparameter (de MKI-­waarde, het CO2-­prestatiecertificaat, de temperatuur bij de asfaltproductie) wordt reeds frequent en met succes toegepast. Ook het toekennen van afzonderlijke duurzaamheidsscores is mogelijk en kan zelfs vrij eenvoudig.

Om inschrijvers ertoe aan te sporen effectief in te zetten op het duurzaamheidscriterium moet de aanbestedende overheid een voldoende gewicht toekennen aan het desbetreffende gunningscriterium.

Let op: de duurzaamheidsscore moet steunen op objectieve en verifieerbare parameters en houdt geen onbeperkte keuze in voor de overheid. Bovendien is het te verkiezen om rekening te houden met meetbare gegevens eerder dan louter engagementen op papier. Algemene en oppervlakkige duurzaamheidsengagementen bieden namelijk geenszins een garantie op een duurzame uitvoering van de opdracht.

14.1.3.6. Technische specificaties

In de technische specificaties kunnen ook milieutechnische vereisten worden opgelegd. Deze specificaties moeten steeds verband houden met het werk, product of dienst en dus niet met de kwaliteiten van de inschrijver zelf.

Men kan de technische eisen normerend of prestatiegericht omschrijven. Milieutechnisch kan zich dat vertalen naar minimumnormen of maximale drempels die moeten worden nageleefd.

Voorbeelden:
Een sleephopper moet een minimaal bepaald scheepsruim hebben, maar eveneens niet meer dan een bepaalde hoeveelheid energie per uur verbruiken en niet meer dan een bepaalde hoeveelheid milieuverontreinigende stoffen uitstoten.

De verlichting van autosnelwegverlichting moet een minimaal bepaalde lichtsterkte hebben, maar mag maximaal een bepaalde hoeveelheid energie per uur verbruiken.

Het asfalt voor de aanleg van een wegenis moet een bepaalde samenstelling hebben en moet geproduceerd worden onder een
temperatuur van maximaal 140°C… 

 

Essentieel is dat deze minimumeisen zo nauwkeurig mogelijk worden geformuleerd en dat zij in verhouding staan tot de opdracht en dus niet dermate streng zijn omschreven dat ze de mededinging onnodig beperken.

Naast de functioneel omschreven eisen kan er worden verwezen naar internationale, Europese of nationale normen of keurmerken om (milieu) specificaties te eisen. Dit is vooral nuttig voor het bestellen van producten. We denken bijvoorbeeld aan Fairtrade, FSC, het Europees keurmerk op milieuvriendelijke producten… . Door de toenemende aandacht richten kwaliteitslabels in de werken­ en gebouwensector zoals BENOR zich ook meer op duurzaamheid.

Let op: een bestekseis voor het beschikken van een keurmerk of norm moet steeds uitdrukkelijk toestaan dat een gelijkwaardig product eveneens toegelaten wordt. 

Om inspiratie op te doen kan tot slot worden verwezen naar de productgroepen die zijn omschreven enerzijds in opdracht van de Europese Commissie en anderzijds op Belgisch niveau door het Federaal Instituut Duurzame Ontwikkeling en de Vlaamse overheid. Een aantal van de uitgewerkte productgroepen hebben zeker een relevantie voor opdrachten van het beleidsdomein MOW, bv. voor groenbeheer, onderzoeks-­ en studieopdrachten, natuursteen, voertuigen, wegmarkeringen, groen­ onderhoud, ontwerp, bouw en onderhoud van wegen, straatverlichting en verkeerslichten zijn productfiches uitgewerkt waarin onder meer voorbeeldclausules en voorbeelden van technische specificaties en contractuele uitvoeringsvoorwaarden opgenomen staan. Gebaseerd op marktonderzoeken werden mogelijke milieuaspecten gebundeld die naar keuze van de aanbestedende overheid geïntegreerd kunnen worden in het bestek naargelang de concrete noden en doelstellingen.

Let op: bij gebruik van deze productfiches dient men wel steeds op attent te zijn dat de contractuele clausules worden aangepast aan het bestek en in een Belgische terminologie worden overgenomen.